Het belang van motorisch leren in de kinderjaren
Monkey Moves blog
Wat is motorisch leren?
De hersenen van de mensen zijn enorm plastisch (vervormbaar) van aard en kunnen zich uitermate goed aanpassen. Dit vermogen om aan te passen is trainbaar (gelukkig maar) en vormt eigenlijk de basis van leren. Bij leren vindt er namelijk een permanente verandering op brein niveau plaats (er worden verschillende verbindingen in de hersenen gemaakt) op basis van een specifieke ervaring met de omgeving (Wat is motorisch leren? (monkeymoves.com)). Het lichaam staat voor een motorische uitdaging en vindt zelf een oplossing voor dit motorische probleem (uitdaging). Door te variëren binnen de taak, individu en omgeving (Peter Beek, 2011) vindt het brein verschillende routes in het oplossen van de beweeguitdaging (er zijn meerdere wegen naar Rome). Hoe vaker dat geoefend wordt en met hoe meer variatie, hoe beter het brein uitgedaagd wordt om oplossingen te vinden en zich dus aan te passen op de uitdaging. Hoe goed je je kunt aanpassen (het aanpassingsvermogen) bepaalt voor een groot deel het succes.
Fundamentele motorische vaardigheden
Wat is er dan zo belangrijk aan motorische vaardigheden? Wij verdelen in onze competentiematrix (het wetenschappelijke fundament van Monkey Moves) de fundamentele motorische vaardigheden onder in statische vaardigheden, manipulatieve vaardigheden en verplaatsingsgerichte vaardigheden.
Statische vaardigheden zijn coördinatief de meest eenvoudige motorische vaardigheden en vormen daarmee een basis voor vrijwel alle volgende vaardigheden. Wij definiëren 4 statische vaardigheden. Dit zijn: Staan, Hangen, Dragen/Tillen en Steunen. Kijkend vanuit de fysiologische basis van bewegen valt aan deze vaardigheden op dat er geen snelheidscomponent in voorkomt waarmee ook de geleverde kracht isometrisch is.
Bij verplaatsingsgerichte vaardigheden gaat het om het bewegen van het lichaam door de ruimte, zoals 3, 1, Klimmen&klauteren, Kruipen/Tijgeren, Roteren, Springen & Landen en Zwaaien
Bij manipulatieve vaardigheden manipuleert het lichaam een extern voorwerp, zoals 4, Slaan, Stuiteren, Trappen, Trekken & Duwen, Vangen & Werpen.
Deze fundamentele basisvaardigheden vormen de basis van het beweegsucces op latere leeftijd.
In 2014 schreven Joris Hoeboer, Michiel Krijger en Sanne de Vries een artikel in Sportgericht over de motorische ontwikkeling in relatie tot een actieve leefstijl. Hierin halen zij een artikel van Okely e.a. (2001) aan die menen dat er sprake is van een relatie tussen de beheersing van fundamentele basisvaardigheden en de mate van fysieke activiteit op latere leeftijd.
[caption id="attachment_17054" align="alignnone" width="300"] Afbeelding uit Sportgericht nr. 1 / 2014 – jaargang 68.[/caption]
Stodden en collega’s (2009) zijn van mening dat de ontwikkeling van de fundamentele motorische vaardigheden tijdens de kindertijd fungeert als een katalysator voor het handhaven van fitheid en lichamelijke activiteit in de volwassenheid. Zonder fundamentele motorische vaardigheden zullen kinderen niet kunnen deelnemen aan latere lichamelijke activiteiten (Stodden, 2008).
Seefeldt (1980) schreef in de vorige eeuw al over de relatie tussen fundamentele motorische vaardigheden op jonge leeftijd en de effecten daarvan op latere leeftijd. Hij spreekt van een zogenaamde kritische drempel. Als een kind niet de motorische competentie heeft boven deze kritische drempel, zal de interesse in lichamelijke activiteit drastisch afnemen naarmate hij/zij ouder wordt. Dit impliceert het enorme belang van kwalitatief goed leren bewegen op jonge leeftijd. Tober en Pollak (2005), stelden in hun onderzoek vast dat kinderen die voor hun 7e levensjaar in een bewegingsarm weeshuismilieu hebben gewoond een blijvende achterstand in motorische vaardigheid hebben. Een ander onderzoek wat het belang van een brede motorische basis op jonge leeftijd onderstreept.
Fasen model van Clark en Metcalfe
Clark en Metcalfe (2002) beschrijven een fasenmodel, wat uitgaat van het feit dat de fundamentele motorische vaardigheden ontwikkelen door de interactie van biologische kenmerken en contextfactoren. Zij gaan uit van een reflexieve fase (eerste 2 weken na de geboorte) waarin het motorisch gedrag bestaat uit reflexen. Langzaam wordt het gedrag van de baby doelgerichter door specifieke ervaringen met de omgeving. Daarna volgt de pre-adaptieve fase, die eindigt als ze zelfstandige lopen en zelfstandig kunnen eten. Het begin van de zogenaamde fundamentele motorische patronen periode. Deze wordt gekenmerkt door het leren van fundamentele motorische vaardigheden, te weten de statische, verplaatsingsgerichte en manipulatieve vaardigheden. Daarna volgt de fase van de contextspecifieke motorische vaardigheden periode, hierin worden de fundamentele motorische vaardigheden aangepast aan specifieke sport- en spel gerelateerde doeleinden. Daarna volgt de behendigheidsperiode. In deze periode is het individu uitgegroeid wat betreft motorische vaardigheden. In dit model bouwt elke stap voort op de vorige stap. En wordt het belang van een brede motorische basis als fundament voor fysieke activiteit op latere leeftijd gezet.
“Het breed motorisch ontwikkelen in de jeugd, helpt individuen op latere leeftijd fysiek actief zijn. Wat op haar beurt weer allerlei gezondheidseffecten bevordert. Gun kinderen een brede basis voor een leven lang plezier in sport en bewegen.”
Het belang van een brede motorische ontwikkeling op jonge leeftijd
Het model van Clark en Metcalfe laat de relatie zien tussen motorische vaardigheden en lichamelijke activiteit, evenals andere variabelen die het algehele niveau van lichamelijke activiteit beïnvloeden.
Kinderen die een breed scala aan bewegingsvaardigheden hebben ontwikkeld zullen op latere leeftijd participeren in verschillende lichamelijke activiteiten en sport. En als ze de mogelijkheid hebben om fysiek actiever te zijn op latere leeftijd, zal dat resulteren in positieve effecten op de gezondheid. Aan de andere kant zullen kinderen die minder motorisch ontwikkeld zijn in hun jeugd, op latere leeftijd veel minder en eenzijdiger lichamelijk actief zijn, met een lagere gezondheid gerelateerde fitheid tot gevolg.
Kortom, voor de praktijk is het dus belangrijk aandacht te besteden aan het ontwikkelen van fundamentele motorische vaardigheden in de vroege kindertijd, om zo een actieve leefstijl op latere leeftijd te ondersteunen. Zo kunnen vele welvaartsziektes (als gevolg van inactiviteit) bij de bron worden aangepakt, in plaats van achteraf (op latere leeftijd) de symptomen te bestrijden.